Starten als ZZP'er
Starten vanuit een uitkering
Snel nieuw werk vinden staat voorop wanneer iemand een uitkering heeft. Starten als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) kan dan een optie zijn. Iemand met een uitkering heeft soms minder opties om werk te vinden dat past bij zijn mogelijkheden en interesses. Zzp’ers bepalen zelf welke opdrachten zij aannemen.
Zzp als manier om aan het werk te gaan
Van alle zzp’ers komt ongeveer 10% uit een uitkeringssituatie. Ongeveer 70% van de zzp’ers die vanuit een uitkering zijn begonnen, slaagt erin zzp’er te blijven.
Mensen die vanuit een uitkering een eigen bedrijf willen beginnen, krijgen steun van de overheid. Werklozen kunnen bijvoorbeeld met behoud van hun uitkering hun eerste orders in de wacht slepen. En zelfstandigen met een handicap krijgen van de overheid een vergoeding voor speciale aanpassingen van hun werkplek.
Door starters vanuit een uitkering te helpen, wil de overheid het aantal mensen met een uitkering verlagen en de werkgelegenheid verbeteren. Zzp’ers zorgen soms ook weer voor werk door zelf mensen in te huren.
Starten vanuit een WW-uitkering
Werklozen met een WW-uitkering kunnen hun uitkering als voorschot krijgen om een eigen bedrijf te starten. Als de starter in de eerste weken niet genoeg verdient, is hij dus wel verzekerd van een inkomen. De regeling geldt maximaal 26 weken. In die periode hoeft de WW'er niet te solliciteren.
Gaat de ondernemer na 26 weken fulltime door met zijn bedrijf, dan stopt de WW-uitkering. Parttimers krijgen nog wel een uitkering voor de overige uren.
Na ruim 2 jaar verrekent het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) de inkomsten met de uitkering. Afhankelijk van de winst moet de ondernemer het voorschot gedeeltelijk of helemaal terugbetalen. Als na de proefperiode blijkt dat ondernemerschap toch niet de oplossing is, dan wordt zijn uitkering voortgezet. Dit is wel afhankelijk van zijn recht op WW.
Toestemming UWV
Om gebruik te maken van de proefperiode, moet de WW'er toestemming vragen bij het UWV. Het UWV geeft alleen toestemming als de kans groot is dat hij zich met het bedrijf in zijn levensonderhoud kan voorzien. Om dit te kunnen beoordelen, vraagt het UWV om een competentietest en (een toelichting op) het ondernemingsplan.
Werklozen kunnen er ook voor kiezen minder uitkering te ontvangen of de uitkering te stoppen. Zij hebben dan geen toestemming nodig om een bedrijf op te zetten. Alle uren die zij besteden aan hun bedrijf, tellen mee voor het werkbriefje. Dat geldt ook voor de tijd die zij besteden aan bijvoorbeeld acquisitie, boekhouding of overleg met financiers.
Starten vanuit een bijstandsuitkering
Mensen met een bijstandsuitkering die een eigen bedrijf willen beginnen, kunnen voor financiële steun een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Zij krijgen zo een kans een nieuw bestaan op te bouwen als ondernemer.
Voorbereidingskrediet
Bijstandsgerechtigden hebben een jaar de tijd om zich voor te bereiden, onder meer door een ondernemingsplan op te stellen. Zij behouden dat jaar hun uitkering. Voor de extra kosten die in deze tijd maken, kunnen zij een lening krijgen.
De gemeente bekijkt vervolgens of hun bedrijf levensvatbaar is. Als dat zo is, kan de bijstandsgerechtigde beginnen met zijn bedrijf en stopt zijn uitkering.
Starterskrediet
Deze starters kunnen vervolgens in aanmerking komen voor starterskrediet, een rentedragende lening van maximaal 32.905 euro. Hiermee kunnen zij bijvoorbeeld machines en voorraden aankopen.
Begeleidingskosten na start
Als het bedrijf eenmaal van de grond is, is deskundige begeleiding vaak gewenst. In het eerste jaar na de start kan de gemeente een bedrag voor deze begeleidingskosten beschikbaar stellen.
Periodieke Bbz-uitkering tot bijstandsniveau
Wanneer de inkomsten uit het bedrijf onder het bijstandsniveau liggen, kan het inkomen van de starter maximaal 36 maanden worden aangevuld tot bijstandsniveau. Na die periode is verlenging mogelijk voor mensen die om medische of sociale redenen niet volledig hun bedrijf kunnen uitoefenen.
Het voorbereidingskrediet dekt de kosten die mensen met een bijstandsuitkering maken bij de start van een bedrijf. Dat zijn bijvoorbeeld investeringskosten. Mensen die leven van de bijstand krijgen zo een kans een nieuw bestaan als ondernemer op te bouwen. Het voorbereidingskrediet wordt verstrekt door gemeenten.
Een andere mogelijkheid is het starterskrediet. Dit is een lening om bijvoorbeeld een bedrijfsauto of spullen voor het kantoor te kopen. Zodra de werkloze het bedrijf heeft opgestart, wordt het krediet omgezet in een lening. De gemeente controleert vooraf of een eigen bedrijf wel de beste oplossing is. Als een baan bij een werkgever beter bij de persoon past, geeft de gemeente geen krediet.
Langdurig zieken en gehandicapten met een uitkering
Langdurig zieken of personen die blijvend gehandicapt zijn geraakt, kunnen hun oude werk soms niet meer oppakken. Uitgangspunt van de overheid is dat deze mensen zoveel mogelijk aan het werk blijven. Dat kan bij de eigen werkgever, in een ander bedrijf of als zelfstandig ondernemer.
Zelfstandigen bepalen zelf hun werkzaamheden en werktijden. Ook kunnen zij hun werk afstemmen op hun eigen mogelijkheden. Daarmee is werken als zzp'er een belangrijk alternatief voor de re-integratie van zieken en gedeeltelijk arbeidsongeschikten.
Vergoedingen en renteloze lening
De overheid helpt langdurig zieken en gehandicapten die als zelfstandige willen werken, met vergoedingen voor bijvoorbeeld een doventolk, aangepast vervoer of een aanpassing van de werkplek. Ook kunnen arbeidsgehandicapten een renteloze lening van het UWV (starterskrediet) aanvragen, wanneer zij geen geld kunnen krijgen van banken en kredietverstrekkers.
Om vast te kunnen stellen of iemand inderdaad een arbeidshandicap heeft, is een medisch-arbeidskundige keuring nodig.
Door belemmeringen weg te nemen, wil het kabinet de positie van ondernemers met een handicap op de arbeidsmarkt versterken. Ook wil de overheid hiermee de keuze voor het ondernemerschap stimuleren.
Aanvulling op inkomen
Mensen met een WAO-, WAZ-, of Wajong-uitkering die minder verdienen dan de arbeidsdeskundige berekent, hebben recht op een aanvulling op het inkomen (inkomenssuppletie). De aanvulling is maximaal 20% van het bedrag dat de arbeidsdeskundige inschat. De regeling duurt 4 jaar en wordt geleidelijk afgebouwd.